€10
Titel boek: Paranormaal, zeker niet abnormaal
Auteur: spiritueel schrijver/paragnost Ron Malestein
© 1999 - 2026 Ron Malestein
Info website: www.ronmalestein.nl
Inhoudsopgave:
Inleiding:
Hoofdstuk 1 - Mijn jeugd
Hoofdstuk 2 - Mijn middelbare schooltijd
Hoofdstuk 3 - Mijn paranormale ontwikkeling
na de middelbare school
Hoofdstuk 4 - Het Gooi en omstreken
Hoofdstuk 5 - Van uitzendbureau tot het
ziekenhuis
Hoofdstuk 6 - Een spirituele beweging
Hoofdstuk 7 - Een eigen praktijk
Hoofdstuk 8 - Nawoord bij deel 1
DEEL 2 – Spirituele termen uitgediept
Hoofdstuk 1 - De aura
Hoofdstuk 2 - Chakra’s en het zilveren koord
Hoofdstuk 3 - Is er leven na de dood?
Hoofdstuk 4 - Magnetiseren
Hoofdstuk 5 - Inspiratie en wijsheid
Hoofdstuk 6 - Gedachtenkracht, psychokinese
en telepathie
Hoofdstuk 7 - Reïncarnatie
Hoofdstuk 8 - Bijzondere dromen
Hoofdstuk 9 - Samenwerking
DEEL 3 - Korte bewustzijnszaken
Hoofdstuk 1 - Spirituele thema’s in vogelvlucht
Hoofdstuk 2 - Tot jezelf komen
Epiloog
Dit boek gaat over diverse paranormale- en bewustzijnszaken. Het is geschreven voor iedereen die, in deze tijd van grote technologische en geestelijke veranderingen, datgene wat achter de sluier is, wil onderzoeken. Het is in verschillende opzichten een interessant en duidelijk boek. Ik geef bijvoorbeeld uitleg over je levensprogramma, verschijningen, leven na de dood, aura’s, telepathie, waarschuwende of voorspellende dromen, eigen paranormale ingevingen en magnetiseren. Maar ook ga ik in op zaken zoals: je spiritueel onbegrepen voelen, op zoek naar soortgenoten, is er een God, het nut van mediteren, Christus-bewustzijn, reïncarnatie en het wel of niet cremeren.
Ik heb gekozen voor een leuke afwisseling van enerzijds het uitleggen van spirituele termen en anderzijds dit te combineren met mijn eigen gedachten hierover en persoonlijke paranormale ervaringen hiermee. De aangehaalde ervaringen zijn bedoeld ter verduidelijking van de behandelde stof, maar ook om je eventueel te confronteren met het herkennen en plaatsen van je eigen paranormale indrukken. Het is mijn ondervinding dat we allemaal in mindere of meerdere mate paranormaal begaafd zijn. We zijn allen in staat om de zacht uitgezonden paranormale signalen op te vangen. Ik hoop dat je ook jouw eigen paranormale ervaringen in het boek herkent. Het valt voor de onderzoeker niet mee om naar je ingevingen te luisteren. Je zult vaak twijfelen aan de werkelijke waarde ervan, of het echt of fantasie is. Verwacht geen al te grote sensationele helderziende beelden of gedachten in je leven, het zit vaak meer in het kleine, het fijne van iets. Eén helderziend beeld van iets kan bijzonder veel informatie over een situatie bevatten.
Het paranormaal zijn is beslist niet nieuw. In alle tijden zijn er mensen geweest die hierover mochten getuigen. Nederland is wat dit aangaat behoorlijk bevoorrecht. Er is in deze eeuw altijd een aantal goede helderziende mediums geweest waar je terecht kon met gezondheids- en/of levensvragen.
Mijn paranormale gaven kwamen al op jonge leeftijd aan de oppervlakte. Ik wist, zoals de meeste kinderen, niets van deze paranormale wereld af; het overkwam me. Als ik nu op die tijd terug kijk, zie ik dat er altijd een persoon bij me was, die als het ware over mijn schouders ‘meekeek’. Ik stond daar in het begin niet bij stil. Soms gaf hij mij informatie in de vorm van een visioen (beeld) of hij zei een paar bemoedigende woorden telepathisch in gedachten. Nooit betweterig maar altijd vriendelijk en met kennis van zaken. Pas later leerde ik hem kennen als mijn geestelijke leider van gene zijde. Aan de ene kant was het gemakkelijk om zo’n geestesvriend te hebben maar aan de andere kant moeilijk, want het valt niet mee om naar een ander te luisteren. Toch moest ik voor de ontwikkeling van mijn paranormale gaven naar de boodschappen leren luisteren. Dit was voor mij beslist géén gemakkelijke weg. Mijn huidige beroep als helderziende en paranormaal genezer - of beter gezegd genezend medium - kwam in mijn jeugd niet bij me op; het kwam me allemaal spontaan toe. Ik werd duidelijk, ondanks mijn andere wensen (ik wilde liever de muziek in), deze richting uitgestuurd. Ik ben trots op mijn gaven, alhoewel het niet altijd gemakkelijk is om voorkennis te hebben over jezelf of over anderen. Het is altijd maar afwachten wat er op je ‘levensprogramma’ staat. Ik had al vroeg door dat iedereen met een bepaald programma geboren wordt. Ik ‘zag’ en ‘wist’ vaak dingen ver vooruit.
Ik verwacht dat in de nabije toekomst de parapsychologen, artsen en de paranormaal begaafde ‘therapeuten’ meer gaan samenwerken. Dat is héél hard nodig.
Ik hoop dat dit boek je in moeilijke tijden kan steunen en aanmoedigen in je zoektocht naar het paranormale.
Tot slot wil ik nog graag tot je zeggen: ‘Je bent nooit alleen, ook al zie je ze niet, er zijn altijd vriendelijke lichtwezens om je heen’.
Ron Malestein, (helderziende) 2024.
Donderdagavond 12 mei 1960 was het feest in huize Malestein, want Coby en Evert Malestein kregen hun eerste kindje. Het was een vrij stevige zoon die de naam Ronny Jacob meekreeg. Jacob was de roepnaam van mijn grootvader van moeders kant. Mijn grootvader was van beroep pianostemmer. Hij overleed enkele jaren voor mijn geboorte aan een ernstige ziekte.
Mijn moeder komt uit Haarlem. Mijn ouders hadden elkaar daar in een gezellig danscafeetje, nabij het centrum, leren kennen. Mijn vaders hele familie komt uit de omgeving van Amersfoort. Mijn vader is een echte ‘Keientrekker’– een bijnaam voor een Amersfoorter omdat er na de ijstijd grote zwerfstenen achtergebleven zijn. Ook ik ben als ‘Keientrekker’ in het ziekenhuis De Lichtenberg in Amersfoort geboren. Het ziekenhuis ligt hoog op een heuvel vlak naast het station Amersfoort. Een paar jaar later werden mijn zusjes Ingrid en Margit vrij snel achter elkaar geboren. Het gezin was nu compleet.
Mijn vader Evert liep al lange tijd met het idee rond om voor zichzelf te beginnen. Hij droomde ervan om een eigen meubelzaak te starten. Met wat steun van de familie lukte dit. Hij had in een goede periode om huizen te verkopen zijn woning verkocht. Met geleend geld en de opbrengst van de woning kon hij zich vestigen. De meubelzaak sloeg direct goed aan, zodoende was de basis voor de familie Malestein gelegd.
Op de lagere school maakte ik snel vriendjes en werd goed in het groepje van mijn klas opgenomen. Mijn grote liefde was voetballen. Elke pauze van de dag werd benut om te voetballen. Sommige bewoners rond het schoolplein konden dat niet bepaald waarderen want onze voetbal lag regelmatig in hun tuin. Mijn ouders zagen me door het voetballen niet veel, ik was altijd weg. Het grasveld had, vanwege de groene kleur, een kalmerende invloed op me. Ik was graag op het voetbalveld of in het bos. Soms werden we door jongens uitgenodigd om in een andere wijk van de stad te komen voetballen en dat was elke keer weer spannend. Ik ging dan na schooltijd op de fiets naar hun toe. Hier leerde ik de mentaliteitsverschillen tussen verschillende bevolkingsgroepen onderscheiden. In een grote stad heb je veel bevolkingsgroepen met hun eigen gedrag. Ik ‘voelde’ al snel aan waar je vriendelijk werd ontvangen en waar je beter maar niet naar toe kon gaan. Je wordt in sommige stadswijken erg als buitenstaander beschouwd, met alle gevolgen van dien.
Ik voelde van grote mensen het karakter aan en had snel door wie van kinderen hield en wie niet. Al van jongs af aan heb ik een hekel aan ruziënde en scheldende mensen. Het verstoort mijn rust. Rust is belangrijk voor mij. Bij sommige mensen voel ik aan dat ze snel aangebrand kunnen zijn; ik probeer hen zoveel mogelijk te mijden.
Het was in deze tijd dat ik op paranormale wijze wel eens een stem hoorde. Als er bijvoorbeeld nieuwe kinderen in de wijk kwamen wonen, dan hoorde ik die persoon met zijn zachte en vriendelijke stem iets over hen zeggen. Soms gaf hij raad of deed een voorspelling. Ik wist vaak al maanden van tevoren wie later mijn vrienden zouden worden. Dat was af en toe best makkelijk. Een keer kreeg ik een soort waarschuwing: ‘Dat ga je later niet doen, hè!’ zei hij met een vriendelijke stem. Ik was namelijk met een paar klasgenootjes cowboytje aan het spelen. Op zich was ik niet gek op het spelen met een plastic pistooltje maar af en toe deed ik mee, zoals zoveel kinderen op die leeftijd. Het gaf mij een prettig gevoel, iemand die af en toe bij me was en aan me dacht. Wat de stem ook zei, het was gemakkelijk te begrijpen en het kwam altijd uit.
Op mijn elfde jaar vertelden mijn ouders dat we een aantal dagen logés zouden krijgen uit Oostenrijk. Dit vonden mijn zussen en ik ongelooflijk spannend. Familie uit het buitenland, dat gebeurt je niet dagelijks. Ik had mijn tante en oom nog nooit eerder gezien. Toen wij uit school kwamen, zaten ze al op ons te wachten. Na een tijdje kreeg ik een rare ingeving en dacht: ‘wat is er met mijn oom aan de hand, is hij ziek?’ Ik wist dat hij over een half jaar er niet meer zou zijn. Ik wist niet precies wat ik moest doen, zette mezelf schrap en liep naar mijn moeder. Eigenlijk durfde ik het niet te zeggen. Je weet maar nooit hoe hier op gereageerd wordt. Ik vroeg na veel gedraai en dralen: ‘Is mijn oom ziek?’ Mijn moeder zei: ‘Voor zover ik weet is hij kerngezond.’ Ik dacht bij mezelf: ‘je moest eens weten.’ Gelukkig voelde ik aan dat ik in dit soort situaties beter kon zwijgen. Achteraf zie ik toch wel in dat ik een bepaalde aangeboren wijsheid had. Ik wist altijd op het juiste moment te zwijgen, bovendien was ik in die tijd nog niet zo’n prater. Voor mijn ouders moet dit lastig geweest zijn. Zelf stond ik daar toen nog niet bij stil.
Het was erg gezellig met mijn overgekomen familie. Grappig dat gekke Duitse accent van mijn tante als ze Nederlands sprak. Ze was al meer dan twintig jaar niet meer in Nederland geweest. Ze had een druk bedrijf, een eigen atelier, waar onder andere skikleding gemaakt werd. Mijn familie was al weer een tijd terug in Wenen toen mijn moeder op een dag tegen ons zei: ‘Jullie oom die op bezoek is geweest, is overleden. Ik vond dit vreemd. Ik had het dus toch goed gehad en vroeg aan mijn moeder of ze nog wist wat ik over mijn oom gezegd had. Ze reageerde hier nauwelijks op. Jammer, want als mijn ouders dat wel hadden gedaan dan had ik me in die tijd toch anders gevoeld. Ik voelde me vaak onbegrepen.
In de zesde klas van de lagere school bracht ik mezelf in de problemen. We hadden les van een stagiaire. We waren bezig met wiskundige figuurtjes. Het waren voorbereidende lessen voor de middelbare school. We raakten in de klas in gesprek en een meisje uit mijn klas zei ineens zonder een echte reden: ‘Ik heb geen zin meer in het leven, van mij hoeft het allemaal niet meer.’ Het was een vreemde situatie. Ik zei, zonder verder na te denken en de gevolgen hiervan te overzien: ‘Je kunt dat wel doen maar het heeft geen zin, je moet toch weer terugkomen.’ De klas begon keihard te lachen en ik begon behoorlijk te kleuren. Wat had ik nu weer gezegd. Normaal gesproken ben ik niet zo’n flapuit, meestal ben ik wat dit onderwerp aangaat bijzonder gesloten. Ik voelde me door de grond gaan. Gelukkig voelde de kwekeling de situatie goed aan. Hij zei: ‘Hier in het westen hebben we voornamelijk christenen, maar verder in de wereld zijn er mensen die een ander geloof hebben. Sommige mensen geloven dat ze eens na de dood weer op aarde terug zullen komen, dit wordt reïncarnatie genoemd.’ Ik had dit van die meneer niet verwacht en was erg blij dat de kwekeling het een beetje voor mij had opgenomen.
Spiritueel gezien was de periode dat ik elf/twaalf jaar was een moeilijke tijd. Het was een tijd dat ik me in een snel tempo van veel dingen bewust werd. Het leek wel of ik mijzelf in tweeën splitste. Een deel was gewoon zoals bij ieder normaal kind. Een ander deel had zo’n inzicht in mensen en levensvraagstukken, dat het me eigenlijk zelf verbaasde. Hoe kwam ik aan die inzichten? Ik merkte dat mijn klasgenoten nog lang niet met levenszaken bezig waren. Zij leefden betrekkelijk eenvoudig, zoals een kind zou moeten leven.
We zijn van huis uit wat progressief ingesteld, wat je noemt vrijgevochten types. Dit is vooral te merken aan onze denkbeelden. Mijn ouders hadden zich losgemaakt van de kerk. Het is niet zo dat ze niet gelovig zijn, integendeel, ze geloven juist wel! Alleen op een andere manier. Ik heb bijvoorbeeld de indruk dat we thuis allemaal in een leven na de dood en in reïncarnatie geloven. Hoe dat zo komt weet ik niet, het is nu eenmaal gewoon zo. Het werd jaren geleden lang niet zo aanvaard als nu. Het was beter om er niet al te vaak voor uit te komen. Je bracht jezelf alleen maar in de problemen. De ontwikkeling die tijdschriften zoals ‘Het Zwarte Gat’ en ‘Paravisie’ teweeg hebben gebracht moest nog komen.
Ze zeggen dat er een goede voedingsbodem moet zijn voordat iets kan groeien. In huize Malestein was er een voedingsbodem voor spiritueel denken, want mijn vader Evert Malestein verdiepte zich al jaren in astrologie. Hij heeft voor menigeen met succes een horoscoop gemaakt. In een horoscoop kun je iets over iemands karakter lezen. Als je heel erg bedreven bent hierin, dan kun je over iemands levensprogramma ─ ongeacht iemands leeftijd ─ wat vertellen. Het is leuk om van een ander te horen dat je een verborgen talent voor iets hebt. Evert deed soms de raarste uitspraken. Zo herinner ik me een verhaal over een kennis die hem uit zat te horen. Hij had zo’n houding van: ‘dat wil ik wel eens zien’. De uitleg van de horoscoop liep in het begin vlot, totdat Evert iets te ver ging en iets zag over autorijden. Je gelooft het misschien niet maar hij las in de horoscoop dat zijn kennis auto reed zonder een rijbewijs. Evert schrok behoorlijk want hij vond het asociaal gedrag om zonder rijbewijs de weg op te gaan. Het astrologisch ‘consult’ had door een paar rake uitspraken een nare wending gekregen. Ze waren gestopt om verder geen ruzie te krijgen. Van die kennis hebben we niets meer vernomen. Een horoscoopuitleg of een consult van een helderziende, kan onbedoeld te persoonlijk worden. Het valt beslist niet mee om hier goed mee om te gaan. Het is vaak afwegen wat wel en niet gezegd kan worden.
Mijn vader heeft van begin af aan een grote invloed gehad op ons denken. Door te praten over astrologie kom je vanzelf op allerlei levensvragen zoals: is er een vrije wil; zijn alle mensen bij de geboorte in de kern gelijk; hebben we in het leven dezelfde kansen?
Mijn ouders hebben ons wat geloof betreft vrij opgevoed. Wij werden als kind niet door één of ander geloof geïndoctrineerd of gebrainwashed. We gingen allemaal onze eigen weg. Niet dat we niet gelovig zijn, integendeel, we zijn ons er terdege van bewust dat er een God, een kracht of iets anders moet zijn. Ik geloof in God maar ook dat de Schepper in de mens zelf goddelijke vermogens heeft gelegd. Het is aan het individu zelf of hij zijn goddelijke vermogens wil ontwikkelen en verfijnen. Naar mijn mening onderscheidt de mens zich in twee grote groepen. Eén die altijd op zoek is naar aards genot en een andere groep die op zoek is naar zichzelf, eigenlijk zijn hogere zelf.
Evert was voor ons thuis en voor veel kennissen de huisastroloog. Mensen zijn erg nieuwsgierig van karakter, ze willen allemaal iets over henzelf horen. Evert zelf is geboren in juni en valt daarom onder het teken tweelingen. Een tweeling is een makkelijke prater. Evert heeft mij ook wel eens iets voorspeld. Hij zei een keer zomaar spontaan tegen me: ‘Jij krijgt krachten uit het dodenrijk.’ Het was voor hem een vreemde uitspraak want hij geloofde in die tijd nog niet echt in een leven na de dood. Hij hield het wel voor mogelijk maar wist het nog niet zeker. Ik zei tegen hem: ‘Als er volgens jou geen leven na de dood is, hoe krijg ik dan krachten uit het dodenrijk?’ Hij moest een beetje lachen maar ging er verder niet op in.
Mijn moeder werd dat eindeloze gepraat over astrologie wel eens teveel. Zij had gelukkig voor veel andere dingen belangstelling. Zij zong bijvoorbeeld in een koor, tekende en boetseerde. Zij heeft door haar aangeboren paranormale gevoeligheid veel persoonlijke ervaringen op paranormaal gebied gehad. Het is jammer dat ze maar kort in de verzorging heeft gewerkt. Ze had met haar fijngevoeligheid veel voor mensen kunnen betekenen. Kennis, begrip en het vermogen van invoelen is een bijzondere combinatie. Ik vind dat er nu nog steeds teveel op vakkennis wordt gelet. Je zou mensen ook op hun intuïtie of spiritualiteit moeten kunnen testen. Dit zou een meerwaarde voor de hulpverlening kunnen zijn.
Op een najaarsdag in 1976 kwam mijn grootmoeder te overlijden. Ik had een goede band met haar. Zij had ook regelmatig ingevingen die uitkwamen. Ik voelde me bij haar erg op mijn gemak. Ook al spraken we er nooit over, ik wist dat ze in een leven na de dood geloofde. Ze was daardoor een beetje een bondgenoot van mij. Mijn grootouders waren trouwens allemaal goed voor mij. Ik ben ze inmiddels ‘aan deze zijde’ verloren. Ze zijn allemaal ‘overgegaan’. Ik denk nog steeds met veel plezier aan mijn grootouders terug.
De laatste twee jaren van haar leven ging mijn grootmoeder met haar gezondheid snel achteruit. Ze had ouderdomsdiabetes en begon dingen te vergeten. Ze werd een beetje dement. Haar overlijden greep mij aan. Het is moeilijk om iemand te moeten verliezen waar je gek op bent.
Nadat mijn grootmoeder al zo’n drie weken overleden was, gebeurde er iets vreemds. Ik was op mijn zolderkamertje. Plotseling voelde ik in de buurt van mijn zonnevlecht (een gevoelig zenuwcentrum ongeveer vijf centimeter boven je navel in de aura) een vreemde kracht. Ik wist onmiddellijk dat dit mijn grootmoeder was. Zij wilde me duidelijk maken dat ze het leven ‘aan gene zijde’ had aanvaard. Ze was héél erg opgewonden. Ik voelde dat ze met al haar krachten op mijn zonnevlecht inwerkte; ik moest en zou haar voelen. Ze liet me in gevoelstaal weten dat ik haar bezoek niet vreemd moest vinden. ‘Juist jij moet beter weten’, zei ze. Het was voor mij een mooie ervaring. Ook al hoor ik wel vaker dat iemand iets tegen me zegt, dit was toch wel een heel speciaal moment. Het gebeurt niet dagelijks dat een overleden familielid op bezoek komt om te zeggen dat het goed gaat.
Het was in deze tijd dat ik me steeds meer terug ging trekken. Ik voelde de behoefte om me van het gewoel van de wereld te bevrijden. Ik had geluk omdat ik thuis de enige jongen was en ik altijd een eigen slaapkamer op zolder had. Ik ben mijn ouders hier zeer dankbaar voor. Na schooltijd ging ik vaak direct naar mijn kamer. Ik wilde over bepaalde zaken nadenken, zoals het leven na de dood, uittredingen en sferen. Ik probeerde alle persoonlijke ervaringen en gedachten samen te brengen tot een geheel. Ik was eigenlijk op mijn manier aan het puzzelen. Ik breide al mijn gedachten aan elkaar. Elke keer kwam ik weer een stapje verder. Ik was dan vaak erg gelukkig.
Van school hield ik niet en ik had een hekel aan de lesstof. Ik vond alles te voorspelbaar. Ik wilde zelf nadenken en niet de dingen zomaar aannemen of leren. Ik vond dat zonde van mijn tijd. Ik had veel vrienden, maar van de docenten die elk jaar opnieuw hetzelfde verhaaltje moesten afratelen moest ik niet veel hebben. Ik wilde zelf nadenken. Voor datgene wat mij bezig hield was geen ruimte op school. De gewone vakken interesseerden mij weinig. Ik hou meer van improvisatie en van een persoonlijke mening over iets hebben. Het leek er soms op dat ik op de zenuwen van enkele docenten werkte. Waarom? Ik weet het niet, misschien kwam het omdat ik in de klas nogal weinig zei. Ze kregen mogelijk geen hoogte van mij. Ik denk dat de docenten mij eigenwijs en stil vonden. Boeit iets mij niet, dan verlies ik binnen tien minuten mijn aandacht. Ik ben wel eens voor de grap door een docent uitgenodigd om met hem voor de klas te gaan boksen. Ik begreep hem in het begin niet en had pas later door dat hij me bij de les wilde betrekken. Ik droomde altijd snel weg en had daarom een slechte naam bij de docenten van mijn school. Soms heb ik wel spijt dat ik in die tijd alle vakken verwaarloosd heb maar ik kan het nu eenmaal niet terugdraaien. Veel van wat ik in mijn schooltijd verpest heb, heb ik later weer goed kunnen maken. Een helderziende zei eens tegen mij dat ik alles zo op mijn eigen wijze doe. Ik kom er wel in het leven, alleen via ‘zandweggetjes’. Ik heb een hekel aan voorbewerkte wegen en wil zelf graag het leven ontdekken; je hebt het dan op eigen kracht gedaan. Ik vond het een grappige en treffende uitspraak. Je begrijpt wel dat deze houding mij niet door iedereen in dank werd afgenomen. Ik was in de ogen van veel mensen een eigenwijs en stil ventje. Zij hadden geen benul van wat er zich allemaal in mij afspeelde.
Over het algemeen was ik bij mijn klasgenoten vrij geliefd. Tijdens moeilijkheden namen ze het vaak voor mij op. Ik was in ieder geval zelf niet op problemen met docenten uit, daar hield ik helemaal niet van. Een goede invloed op mijn klasgenoten had ik niet; mijn huiswerk was zelden af. Voor anderen vond men mij géén goed voorbeeld. De dagen op school duurden mij veel te lang. Ik verlangde steeds meer naar mijn kamertje om te kunnen filosoferen zoals ik dat toen al noemde. Een enkele keer probeerde ik over één van de onderwerpen, waar ik me mee bezig hield, een gesprek met iemand aan te knopen. Ik had al snel door dat mijn onderwerpen niet geliefd waren. Er werd liever over bromfietsen en andere bezittingen gesproken. Dit boeide mij weer niet.
In deze periode ging ik steeds meer een dubbel leven leiden. Ik had niet zoveel contact meer met mijn ouders. Zij probeerden me nog met het maken van huiswerk te stimuleren maar dat haalde niet veel uit. Ik draaide me er altijd met een gehaaide smoes uit. Ik had toen een leuke vriend. Met hem ging ik op avontuur. Hij kwam me vaak met zijn brommertje ophalen. Hij stond wel open voor mijn ‘grappige’ verhalen. Hij had zelf, jammer genoeg, niet veel nagedacht over spirituele zaken, maar tolereerde wel veel van mij. Het is natuurlijk leuk om met iemand van gedachten te kunnen wisselen, maar een goede vriendschap bestaat gelukkig uit meer dan alleen spiritualiteit.
Op de middelbare school kreeg ik een zeer merkwaardige droom. Ik droomde dat ik met mijn ouders en twee zussen in het bos wandelde. Op zich niets bijzonders want vroeger toen we nog in Amersfoort woonden, gingen we regelmatig naar het bos. Rond Amersfoort heb je namelijk erg veel mooie bossen en heide. Je kunt daar nog herten in het wild zien. De aanvankelijk prettige droom kreeg een vreemde wending. Het werd een droom met strijd en onrust. In de droom begon de grond onder onze voeten uiteen te scheuren, net zoals de grond bij een aardbeving in tweeën kan splijten. Op het moment dat de aarde uiteen dreigde te gaan, werden we allemaal voor een keuze geplaatst. Mijn ouders stonden als eersten aan de overkant. Mijn zus Margit volgde hen snel. Mijn andere zus had meer tijd nodig om een keuze te maken, maar volgde hen uiteindelijk ook. Ik stond nu helemaal alleen aan de andere kant.
‘s Morgens toen ik wakker werd, kon ik deze merkwaardige droom nog goed herinneren. Ik dacht: ‘wat heeft deze droom te betekenen’ want leuk vond ik hem niet. Er moest een bepaalde boodschap in deze droom zitten. Het was me al eerder opgevallen dat je beter niet naar de betekenis van een droom kan gaan gissen. Vaak haal je er allerlei irrelevante dingen bij en dan kom je er al helemaal niet meer uit. Ik liet de droom verder met rust en wachtte af.
Enkele jaren later veranderde mijn leven in een rap tempo. Zoals ik al eerder vermeldde hield ik niet van school. Ik kreeg een vervroegde oproep voor het vervullen van mijn militaire dienst. Iedereen thuis dacht: nu heb je een kans om als kortverbandvrijwilliger in dienst een baantje te vinden. Dit vond ik belachelijk gezien mijn karakter. Ik houd niet zo van het werk van militairen. Het doet me altijd denken aan enkele militaire dictators. Ik besefte wel dat je momenteel niet zonder een militair stelsel in je land kunt. In de wereld zijn er nog diverse landen die je niet kunt vertrouwen. Je kunt je niet zomaar als land permitteren om zonder slag of stoot je onder de voet te laten lopen. Ik ging dus maar in dienst, niet als kortverbandvrijwilliger, maar gewoon als dienstplichtig militair. Dit heb ik geweten. Binnen vier maanden was ik weer thuis en had het voor elkaar om een S5 te krijgen (gewetensbezwaar, psychisch ongeschikt). Ik wilde mensen genezen, niet uiteen rijten.
Toen ik thuis kwam en vertelde wat ik had gedaan, had ik de poppen aan het dansen. Er werd van alles gezegd: ‘wordt hij lactovegetariër, heeft hij zijn schoolopleiding verpest!’ Ik had namelijk door het niksen een herexamen gekregen, maar dat heb ik niet gedaan. Ik was, met toestemming van mijn schooldecaan, dus op dezelfde manier weggegaan. Ik zag het allemaal niet meer zitten en zag het nut er niet meer van in. ‘Nu verpest hij zijn laatste kans ook nog,’ zeiden ze. Ze konden het niet meer volgen en baalden vreselijk van mij. Met als gevolg dat mijn ouders en grootouders me niet meer wilden zien. Bij mijn ouders duurde dat een half jaar en bij mijn grootouders twee jaar. Ik vond dit niet leuk. Ze namen niet eens de moeite om naar mijn redenen te luisteren. Mijn grootvader was al eens eerder in mij diep teleurgesteld geweest. Hij kon maar niet begrijpen waarom ik van het ene op het andere moment gestopt was met voetballen. In zijn ogen was ik in potentie een groot aankomend talent. En wat deed ik: ik koos voor de gitaar. Niet gewoon klassiek gitaar, nee, elektrisch gitaar. Oei, foute boel dus! Later besefte ik dat de droom van enkele jaren daarvoor al een kloof tussen mij en mijn familie aangaf. Onze meningen waren te verdeeld, er ontstonden twee kampen. Gelukkig werd dat later, met inzet van beide ‘kampen’ weer beter.